Wie een blik werpt op de Vlaamse dagboekproductie aan het einde van de jaren zestig en in de jaren zeventig, moet vaststellen dat veel beoefenaars van het zogenoemde experimentele proza zich aan het uitgeven van een dagboek hebben gewaagd. Met zijn in 1978 verschenen De goddelijke hagedisjes. Journaal 1968/69 is Willy Roggeman een onmiskenbare vertegenwoordiger van die tendens. In mijn presentatie wil ik dieper ingaan op wat de singulariteit van Roggemans dagboekpraktijk uitmaakt. Om dat te onderzoeken wil ik me niet beperken tot een confrontatie met de gangbare definities van het dagboekgenre. Het is immers mijn bedoeling om het boek in dialoog te laten treden met andere prozateksten van Roggeman uit die periode (zoals Gnomon, 1975) en met dagboeken van generatiegenoten uit Vlaanderen. Om mijn analyse van Roggemans dagboekpraktijk te vervolledigen, wil ik er het discursieve ethos (Maingueneau, 2004) van Roggeman als dagboekschrijver bij betrekken.
UCLouvainSSH/IRIS-L/PROS - Centre Prospéro - Langage, image et connaissance
Citations
APA
Chicago
FWB
Sergier, M. (2013). Het moment van de hagedis. Willy Roggeman en het dagboekexperiment. In Hans Demeyer, Carl Destrycker & Sven Vitse (ed.), De ruimte van Roggeman (p. p. 53-66). Academia press, Ginkgo. https://hdl.handle.net/2078.5/201573