In 1993 werd in België het Geïndividualiseerd Project voor Sociale Integratie in de OCMW-hulpverlening geïntroduceerd. Toenmalige minister van Sociale integratie, Laurette Onkelinx lanceerde het in het kader van het ‘Urgentieprogramma voor een meer solidaire samenleving’ vanuit de bezorgdheid dat de toenemende groep jongeren die een beroep deed op het bestaansminimum, zich niet zou nestelen in de bijstand. Voor gerechtigden jonger dan 25 jaar werd het afsluiten van een contract waarin de wederzijdse rechten en plichten van de jongere en diens OCMW opgenomen werden, verplicht. Geïnspireerd door het denken van Rosanvallon (1995) werd op deze manier in de bestaansminimumwet een begeleidingsfunctie vanwege het OCMW ingevoerd, met als doel een meer maatgerichte hulpverlening als hefboom voor een maatschappelijke inschakeling (Lammertyn, 1996). Met de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie (RMI) (Sociale Zaken Volksgezondheid en Leefmilieu, 2002) werd deze regeling geformaliseerd via de invoering van het geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie (GPMI) waarvan ook de modaliteiten bij wet bepaald werden. Met de term ‘leef-loon’ gaf de wetgever aan dat de verstrekking van een minimuminkomen een tegenprestatie veronderstelt: het engagement van de betrokkene om zich in de mate van het mogelijke in de samenleving in te schakelen. Voor jongeren onder de 25 jaar bleef de verplichte tewerkstellingsverbintenis daaraan gekoppeld (De Boyser, 2002). Naar aanleiding van de intentieverklaring van de federale regering om het GPMI uit te breiden naar andere doelgroepen en een gemeenschapsdienst voor leefloners uit te werken in het kader van dit GPMI , schreef de POD Maatschappelijke Integratie een onderzoeksoproep uit met als doel zicht te krijgen op de praktijkervaringen met het GPMI en voorstellen voor een methodische optimalisering en administratieve vereenvoudiging van het instrument te verzamelen. Een tijdelijk consortium tussen het Expertisecentrum Krachtgericht Sociaal Werk van de Karel de Grote-Hogeschool en het Centre d’études Sociologiques van de Facultés Universitaires Saint-Louis Brussel zijn verantwoordelijk voor het uitvoeren van deze studie. In dit hoofdstuk geven we de resultaten weer van een onderzoek dat bestond uit verschillende luiken: 1. Een grootschalige webenquête bij de OCMW’s, 2. Een kwalitatieve bevraging bij 16 OCMW’s verspreid over België en 3. Een expertseminarie. We beschrijven achtereenvolgens: de ervaringen met het GPMI als begeleidingsinstrument, de toepassingsmogelijkheden voor diverse doelgroepen, voorstellen tot administratieve vereenvoudiging en het draagvlak voor de koppeling aan gemeenschapsdienst.
Driesssens, K., Franssen, A., Depauw, J., & Mehauden, L. (2016). Het Geïndividualiseerde Project voor Sociale Integratie: Formaliteit, ondersteunend kader of begeleidingsinstrument? In Pannecoucke I., Lahaye W., Vranken J. en Van Rossem r. (coord.) (ed.), Annuaire Fédéral de la Pauvreté 2016. https://hdl.handle.net/2078.5/187006